Schrijver
Denker
Dromer
Twijfelaar


Tuigvissen

Verschenen op: 17 april 2020

We zijn met een klein groepje familie in het huis van mijn vader. Ondanks de corona-ellende moeten we toch aan de slag om het huis leeg te krijgen. Beetje zonde ook om de huur maar te blijven betalen. De container staat klaar en we beginnen met de schuur en tuin. De 1,5 meter afstand houden we goed in het oog. 

In de schuur staan verschillende kasten met de meest uiteenlopende spullen. Een paar dingen kunnen anderen misschien nog gebruiken maar de rest verdwijnt in de container die zich sneller vult dan gedacht. 

En dan kom ik in een kast, verstoft op een plank, een viskoffertje tegen. Mijn viskoffertje. Het viskoffertje dat ik had toen ik als jochie van tien, twaaf met mijn vriendjes ging vissen. En als ik het opendoe, zitten daar nog steeds wat spulletjes in: dobbertjes, tuigjes, een bakje met haakjes, loodjes. Dat koffertje is al meer dan veertig jaar niet meer gebruikt en mijn ouders hebben het altijd bewaard en meegenomen toen ze verhuisden van Utrecht naar Huizen. Ik vraag me af waarom ze toch alles bewaarden wat los en vast zat. Ik heb nooit geweten dat dat koffertje nog bestond. 

Het koffertje doet met denken aan een familieverhaal. Zo'n verhaal over iets van toen ik klein was. Een verhaal dat elk jaar weer op mijn verjaardag werd verteld. Zo'n verhaal dat je je alleen maar herinnert omdat het elk jaar op je verjaardag werd verteld. Zo'n verhaal waar je ooms en tantes altijd weer om moesten lachen. En hou ouder je werd, hoe genanter je je voelde als het verhaal weer werd verteld. Eerst aan familie en later aan aan vrienden en eerste vriendinnetjes. Je hebt zelf vast ook wel zo'n verhaal. 

Ik was een jaar of vijf, zes denk ik. Mijn opa woonde in Schiedam, vlakbij de Schie. Toen we daar een keer waren, gingen we vissen. Opa, mijn vader en ik. Met een hengeltje van bamboe zat ik aan de Schie. Ik bleek niet zo handig in het werpen. Het haakje bleef in mijn jas haken, in de struiken, in de jas van mijn vader. Kortom ik was een gevaar voor mijzelf en mijn omgeving. Mijn vader haalde het haakje van het tuig en vertelde dat ik op bijzondere vissen moest gaan vissen. Tuigvissen, daar had je geen haakje voor nodig. 
En daar zat ik dan als jochie. Braaf uren te staren naar mijn dobbertje, te wachten op tuigvissen die maar niet wilden bijten. In de loop van de jaren werd het verhaal nog wat mooier gemaakt. Er kwam bijvoorbeeld iemand voorbij en die vroeg waarop ik zat te vissen. Toen ik zei: "tuigvissen", zei de man dat die een stukje verder zaten. Hij had ze nog zien zwemmen. En daar ging ik dan natuurlijk naar toe.
Als ik eerlijk ben, ben ik blij dat ik toen als jochie van zes geen vis heb gevangen. Ik moest er niet aan denken dat ik zo'n slijmerige, spartelende vis van mijn haakje moest halen. 

Dit verhaal dooft nu uit. De vertellers zijn er helaas niet meer. Misschien dat ze daarom dat koffertje hebben bewaard. Dat ik me dit verhaal dan zou herinneren en opschrijven. Want familieverhalen moeten toch eigenlijk wel bewaard blijven.

Ik aarzel nog even maar neem dan een resoluut besluit. Het viskoffertje verdwijnt in de container. 

 

 

In diepe wateren
is het moeilijk vissen

Lao-Tse

Mis niks!

Krijg voortaan automatisch de nieuwste verhalen en columns in je mailbox. Makkelijk toch?